Disclaimer: De volgende informatie is uitsluitend bedoeld voor educatieve doeleinden en is niet bedoeld als medisch advies. Raadpleeg altijd een zorgverlener voor medisch advies en behandeling.
Longkanker is niet één enkele ziekte; er zijn verschillende soorten longkanker. Om de juiste behandeling te bieden en het verloop van de ziekte beter te begrijpen, is het cruciaal om het specifieke type longkanker vast te stellen.
Er zijn twee hoofdtypen longkanker:
Ongeveer 80% tot 85% van alle longkankers zijn niet-kleincellige longkankers. Tumoren van dit type groeien doorgaans langzaam en kunnen jaren aanwezig zijn voordat ze worden ontdekt. De meeste niet-kleincellige longkankers verspreiden zich minder snel dan kleincellige longkankers en zijn over het algemeen minder responsief op chemotherapie en bestraling.
Niet-kleincellige longkanker kan worden onderverdeeld in:
Dit type tumor ontstaat in kliercellen, cellen die bepaalde stoffen zoals slijm afscheiden. De meeste adenocarcinomen worden veroorzaakt door tabaksrook, maar ze kunnen ook voorkomen bij niet-rokers. Ze kunnen ook het gevolg zijn van spontane genmutaties. Adenocarcinomen komen vaker voor bij jongere mensen dan andere soorten longkanker.
Deze vorm van kanker ontstaat in plaveiselcellen, vlakke cellen die de binnenkant van de luchtwegen bekleden. Plaveiselcelcarcinomen bevinden zich meestal in het centrale gebied van de longen, in de buurt van de grote luchtpijpvertakkingen (bronchi). Deze tumoren worden vaak geassocieerd met roken.
Deze vorm van carcinoom is relatief zeldzaam. Volgens de WHO-classificatie van 2004 bestaat dit heterogene kankertype uit verschillende subgroepen van tumoren, zoals neuro-endocriene tumoren of reusceltumoren. In tegenstelling tot de andere twee vormen van niet-kleincellige longkanker heeft het de neiging snel te groeien en uit te zaaien, waardoor het moeilijk effectief te behandelen is.
Genmutaties en niet-kleincellige longkanker
Kanker wordt gekenmerkt door een reeks meer of minder frequente genmutaties (DNA-veranderingen in specifieke genen). Deze mutaties betreffen meestal gensequenties die de celdeling en -vermenigvuldiging controleren, zoals oncogenen en tumorsuppressorgenen. Tot de meest voorkomende mutaties in adenocarcinoom en grootcellig carcinoom behoren KRAS-, EGFR- en ALK-mutaties, waarvoor specifieke behandelingen bestaan.
Het KRAS-gen geeft instructies voor het produceren van het KRAS-eiwit, een eiwit binnenin de cel dat de celdeling regelt. Een mutatie in het KRAS-gen kan leiden tot overactieve KRAS-eiwitten, wat resulteert in ongecontroleerde celdeling en tumorvorming. De KRAS-mutatie komt voor bij ongeveer 3 op de 10 longkankerpatiënten. De huidige behandeling omvat chemotherapie om celdeling te remmen en celdood te induceren. In bepaalde gevallen wordt chemotherapie gecombineerd met een angiogenese remmer, een substantie die de vorming van nieuwe bloedvaten rond kankercellen remt.
EGFR, of Epidermal Growth Factor Receptor, is een eiwit in het celmembraan dat signalen van buiten naar binnen doorgeeft om celdeling te vergemakkelijken. Wanneer er een mutatie optreedt in het EGFR-gen, kunnen EGFR-eiwitten overactief worden, waardoor continue signalering en ongecontroleerde celdeling ontstaan. Ongeveer 12% van de patiënten met stadium 4 niet-kleincellige longkanker (gemetastaseerd stadium) heeft de EGFR-mutatie. Deze longkankers reageren over het algemeen goed op gerichte therapie met TKI's (tyrosinekinaseremmers), een behandeling in tabletvorm, hoewel er EGFR-mutaties zijn waarbij TKI's geen positief effect hebben.
ALK, of Anaplastic Lymphoma Kinase, is een eiwit in het celmembraan dat verantwoordelijk is voor intercellulaire communicatie tussen verschillende cellen. In bepaalde gevallen kan er een mutatie optreden, resulterend in een fusie tussen het ALK-gen dat dit eiwit codeert en een ander gen. Het resultaat van deze ALK-fusie is een continue stroom signalen die ongecontroleerde celdeling veroorzaken, wat leidt tot kanker. Cellen die deze mutatie dragen, worden ALK-positief (ALK+) genoemd. De mutatie komt voor bij 2 tot 5% van de patiënten met niet-kleincellige longkanker. Ze reageren vaak goed op behandelingen met medicijnen die de werking van ALK blokkeren.
Naast KRAS-, EGFR- en ALK-mutaties zijn er andere zeldzamere mutaties, zoals BRAF, HER2, MET, NRG1, NTRK, RET, ROS1. Om de meest gerichte behandeling mogelijk te maken, is het soms noodzakelijk om deze mutaties ook op te sporen. Omdat het vinden van de juiste mutatie cruciaal is, is goede communicatie met het medische team essentieel.
Ongeveer 15% tot 20% van alle longkankers zijn kleincellige longkankers. Deze vorm komt dus voor bij ongeveer 1 op de 5 longkankergevallen. Kleincellige longkanker groeit en verspreidt zich zeer snel, in tegenstelling tot de meest voorkomende vormen van niet-kleincellige longkanker. Als gevolg hiervan wordt kleincellige longkanker vaak gediagnosticeerd in een gevorderd stadium en is het al uitgezaaid. De behandeling van kleincellige longkanker omvat meestal chemotherapie, al dan niet in combinatie met bestraling. Immunotherapie wordt gebruikt bij metastases.